Interview met promovendus Coen Brummer



Tussen wetenschap en politiek

Interview met promovendus Coen Brummer


Nina Saelmans


Coen Brummer studeerde politieke geschiedenis en filosofie van de natuurwetenschappen aan de Universiteit van Utrecht en is tegenwoordig directeur van de Mr. Hans van Mierlo Stichting, het wetenschappelijk bureau van D66. Daarnaast is hij verbonden aan het Biografie Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij werkt aan zijn proefschrift over minister van Binnenlandse Zaken en Tweede Kamerlid Samuel van Houten (1837-1930). Skript Historisch Tijdschrift sprak met hem over Van Houten en over de relatie tussen politiek en wetenschap.

Dit interview is onderdeel van het lentenummer van Skript Historisch Tijdschrift, jaargang 43.1 en is u cadeau gedaan de door de redactie. Als u benieuwd bent geworden naar de andere artikelen kunt u hier een overzicht vinden. Als u geïnteresseerd bent geworden in Skript en vier keer per jaar Skript thuis wilt ontvangen kunt u hier kijken voor het afsluiten voor een abonnement.

“Het idee om een proefschrift te schrijven ontstond toen ik bij Elsevier werkte. Het tijdschrift bestond al voor de oorlog, en het plaatste toen al interviews. Dat was een nieuw genre in die tijd”, vertelt Coen Brummer. Hoofdredacteur Arendo Joustra kwam zodoende met het plan een boek te schrijven, genaamd De Eerste Interviews, waarin vijf van Elseviers grote interviews met prominente Nederlandse politici zijn verzameld. Een daarvan is met minister van Binnenlandse Zaken en Tweede Kamerlid Samuel van Houten.

“Toen ik de inleiding aan het schrijven was, kwam ik erachter dat er eigenlijk geen goede biografie van Van Houten bestond, terwijl het wel een voornaam liberaal was met een grote invloed op het Nederlands liberalisme en de Nederlandse politiek”, laat Brummer weten. Het was deze verwondering die ertoe leidde dat hij een begin maakte aan een biografisch proefschrift over Samuel van Houten.

Specifiek richt Brummer zich op de invloed die Van Houten had op de ontwikkeling van het Nederlands liberalisme dat in de tweede helft van de negentiende eeuw razendsnel veranderde. Daarbij kijkt hij ook naar wat Van Houten tot stand wist te brengen, zoals zijn beroemde ‘kinderwetje’ uit 1874. Maar kan Van Houten ook als een succesvol politicus beschouwd worden? Op deze vraag komt Brummer met een genuanceerd antwoord: “De meeste mensen kennen hem natuurlijk van het kinderwetje, maar hij heeft ook een grote kiesrechtuitbreiding tot stand gebracht als minister in 1896, waardoor het electoraat bijna verdubbelde”. Van Houten kan volgens hem dus zeker als invloedrijk gezien worden, maar toch gelooft Brummer dat hij te zeer een einzelgänger was om politiek succesvol te zijn. “Hij worstelde om erkenning te krijgen. Van Houten was iemand die voor zijn gevoel vaak gelijk had, maar weinig gelijk kreeg. Hij was ook geen makkelijk persoon in de omgang, daarmee heeft hij zichzelf ook wel eens in de weg gezeten.”

Was Van Houten dan beter afgeweest als academicus? Het is een vraagstuk waar Van Houten zelf ook mee worstelde volgens Brummer. Uit een briefwisseling tussen Van Houten en een vriend, de latere eerste minister Nicolaas Pierson, is gebleken dat de liberaal worstelde met de vraag waar hij tot zijn recht kwam. Van Houten werd twee of drie keer genoemd voor een positie als hoogleraar, maar onder meer de ministers van Binnenlandse Zaken Thorbecke en Six, wezen hem af. Hij zou te radicaal in opvatting zijn geweest voor een dergelijke post.

Toch kwam in de jaren die volgden die radicaliteit die Van Houten werd toegeschreven ter discussie te staan: het werd de liberaal verweten conservatief te zijn geworden. Is het beeld correct dat hij een omslag had gemaakt in zijn visie? En wat vond Van Houten daar eigenlijk zelf van? Volgens Brummer kan het antwoord op deze vraag van twee kanten bekeken worden: “Van Houten wilde kiesrecht voor iedereen die kon lezen en schrijven, en zichzelf en zijn gezin kon onderhouden. Gaandeweg begon echter een steeds grotere groep liberalen en socialisten een algemener kiesrecht aan te hangen, zoals wij dat vandaag de dag kennen. Waar hij dus eerst vooropliep met zijn beperkt algemeen kiesrecht, werd hij plots ingehaald”. Dit beeld heeft volgens Brummer bijgedragen aan het idee dat Van Houten conservatiever is geworden, maar is volgens hem niet helemaal correct: “Van Houten bleef over het algemeen vinden wat hij vond, maar de wereld om hem heen veranderde snel in die tijd. En politiek draait niet altijd om wat je vindt, het gaat er ook om wie je bondgenoten zijn”. Die bondgenoten waren niet langer het clubje radicalen waar Van Houten eerder mee had opgetrokken, maar bestond toen ineens uit meer conservatieve liberalen in de Kamer. “In die zin klopt de opvatting wel. Ook als je nauwelijks van standpunt verandert, kun je dus toch conservatiever worden”, voegt Brummer toe.


"Als ik alleen Van Houten zou volgen in mijn proefschrift, dan zou ik tot de conclusie moeten komen dat hij het meest fantastische kamerlid was dat ooit in Den Haag heeft rondgelopen."


Van Houten zelf was het daar niet mee eens, en bleef tot zijn dood geloven in de consistentie van zijn eigen politieke opvattingen. “Als ik alleen Van Houten zou volgen in mijn proefschrift, dan zou ik tot de conclusie moeten komen dat hij het meest fantastische kamerlid was dat ooit in Den Haag heeft rondgelopen”, vertelt Brummer lachend. In zijn proefschrift probeert hij de manier waarop Van Houten naar zichzelf keek en de manier waarop anderen hem beschouwden daarom strikt gescheiden te houden. Hij doet dit door in kaart te brengen hoe Van Houten zelf dingen ervaarde en door deze opvattingen te contrasteren met zoveel mogelijk andere perspectieven.

Aan de hand van dit contrast kan Brummer ook beargumenteren waar de ondergang van Van Houten aan te wijten was. Hoewel hij het zelf nooit zou erkennen, werd het Van Houten kwalijk genomen dat hij niet langer de liberale, progressieve en vooruitstrevende man was die zijn kiesdistrict, Groningen, altijd had gekend. Langzaam maar zeker veranderde hij in een angry old man en, hoewel hij nog wel invloed had, was zijn politieke rol uitgespeeld.

Desondanks kan gesteld worden dat Samuel van Houten wel degelijk zijn stempel op de Nederlandse politiek heeft gedrukt. Zijn kinderwetje is opgenomen in de Canon van Nederland en zijn naam is in menig schoolboek terug te vinden. Dat roept een belangrijke vraag op: hoe verhouden het geëngageerde individu enerzijds en de politieke besluitvorming in een land anderzijds zich tot elkaar? Brummer vindt dat de rol van één man niet moet worden overschat, maar gelooft wel dat de grondwetsherziening van 1887 haar vorm niet had gekregen zonder druk van het liberale deel van de Kamer: “Het eindresultaat van het kiesrechtartikel, de ruimte om het gewone kiesrecht uit te breiden, lag heel dicht bij wat Van Houten in 1879 en 1884 had bepleit”, stelt Brummer. Hij erkent echter wel dat het idee van mondige individuen destijds veel meer aanwezig was dan tegenwoordig: “een groot deel van een lijst komt nu vaak de Kamer in omdat mensen op de lijsttrekker stemmen. Het individuele aspect van ons evenredige kiesstelsel is daarom dus ook minder sterk dan in de tijd van Van Houten, toen er nog een districtenstelsel bestond. Dat vind ik heel erg jammer.”


"De samenleving en de politiek hebben maar één laboratorium en dat is het verleden. Dus als je iets weet van dat verleden, kan dat altijd nuttig zijn."


Met betrekking tot de relatie tussen politiek en wetenschap gelooft Brummer dat politieke onderzoeksbureaus, zoals de Mr. Hans van Mierlo Stichting waar hij directeur van is, een belangrijke link kunnen zijn tussen de praktische politiek en de wereld van politieke ideeën en wetenschap. Hij stelt dat het “belangrijk [is] dat er in de politiek niet alleen wordt gedacht aan het debat van volgende week, maar dat er ook mensen zijn die nadenken over de langere termijn en de grotere vragen over, bijvoorbeeld, de verandering van de arbeidsmarkt. Daarbij kiezen we altijd een min of meer wetenschappelijke benadering.” In deze politieke omgeving hebben historici een meerwaarde volgens Brummer: “De samenleving en de politiek hebben maar één laboratorium en dat is het verleden. Dus als je iets weet van dat verleden, kan dat altijd nuttig zijn.” Hij nuanceert deze opvatting echter wel door te stellen dat historici geen politieke taak zouden moeten hebben.

Zelf ziet Brummer zich noch als academicus, noch als politicus; in dat opzicht komt zijn affiniteit met Samuel van Houten niet uit de lucht vallen. Wat hij na de afronding van zijn proefschrift gaat doen is nog onzeker, maar zolang hij politiek en wetenschap kan combineren, laat hij weten, zal hij het altijd naar zijn zin hebben.

Verschenen in: Skript Historisch Tijdschrift, jaargang 43.1, 20-23.

2021.


Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd en/of vermenigvuldigd zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.